Sociale regelingen door de jaren heen

Aan het stelsel van sociale zekerheid dat we in Nederland kennen is heel wat voorafgegaan. Inmiddels is het onderdeel van de manier waarop we samenleven. Omdat tijden en inzichten veranderen hebben wij en onze voorlopers door de jaren heen een hele reeks verschillende wetten en regelingen uitgevoerd. Sommige hiervan bestaan nog steeds. Andere zijn helemaal of voor een deel afgeschaft en aangepast.

In 1957 is de Algemene Ouderdomswet (AOW) ingegaan. Vanaf dat moment had het hele Nederlandse volk recht op een basispensioen. Willem Drees was op dat moment premier en de verantwoordelijke minister van Sociale Zaken was de heer J.G. Suurhoff. Op 2 januari 1957 kon de heer Bakker uit de Boterdiepstraat in Amsterdam de eerste AOW uit handen van minister Suurhoff in ontvangst nemen. Er zouden er dat jaar nog 738.692 volgen. Voor de uitvoerders van de AOW, de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en de Raden van Arbeid, was de AOW daarmee gelijk de grootste wet die ze moesten uitvoeren.

Bodempensioen

De AOW was bedoeld als een zogenaamd bodempensioen, als aanvulling op andere inkomsten. In 1957 ontving een alleenstaande € 32,45 en een echtpaar € 54 per maand. De wet was 5 jaar oud toen werd ingezien dat ouderen met dit pensioen nauwelijks konden rondkomen. Toen werd besloten de AOW te verhogen met 15%. In 1965 werd de AOW opgetrokken tot het sociaal minimum. Het sociaal minimum is het bedrag dat iemand minimaal nodig heeft om van te leven. Dit was toen € 99,38 per maand voor een alleenstaande en € 142,02 voor een echtpaar.

Zelfstandig recht

Eerst konden alleen mannen en ongehuwde vrouwen een AOW krijgen. Werd een gehuwde vrouw eerder 65 jaar dan haar echtgenoot? Dan was er pas recht op AOW als ook de man 65 jaar was. Sinds 1 april 1985 hebben mannen en vrouwen een eigen recht op AOW. Iemand die 65 jaar wordt en een partner heeft die jonger is dan 65 jaar, ontvangt ook een toeslag. De verhouding tussen pensioen en toeslag is in de loop der tijd een paar keer veranderd.

Sinds 1988 is de hoogte van de AOW-toeslag afhankelijk van het inkomen van de jongere partner. In 1987 werd het sociale zekerheidsstelsel herzien. Toen is in de AOW de gelijke behandeling van gehuwden en ongehuwd samenwonenden ingevoerd. Ook is er toen een apart normgedrag voor een alleenstaande ouder met een kind jonger dan 18 jaar ingevoerd.

De AOW is een verplichte verzekering en wordt gefinancierd volgens het 'omslagstelsel'. Dat houdt in dat alle mensen gedurende hun leven, 50 jaar tot hun AOW-leeftijd, gezamenlijk de premie betalen om AOW'ers te voorzien. In 1972 kregen mensen die niet langer verplicht verzekerd waren voor de AOW, de mogelijkheid zich vrijwillig te verzekeren. Dit waren bijvoorbeeld mensen die uit Nederland zijn vertrokken.

Met ingang van 1 januari 2013 was er voor het eerst sinds lange tijd weer een grote verandering. Vanaf dat moment wordt de AOW-leeftijd in stappen verhoogd. 

De AOW-toeslag werd in 2015 afgeschaft.

Pas in 1959 werd er een regeling getroffen voor weduwen en wezen. De Algemene Weduwen- en Wezenwet, ingediend door minister Suurhoff, is op 1 oktober 1959 ingegaan. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) en de Raden van Arbeid hadden er daarmee een nieuwe taak bij.

De AWW had het karakter van een risicoverzekering. Dat betekent dat de hoogte van de uitkering niet af hangt van hoe lang van de verzekering duurt. De AWW kende 3 soorten uitkeringen: een weduwepensioen, een tijdelijke weduwe-uitkering en een wezenpensioen. De tijdelijke weduwe-uitkering was bedoeld als overbruggingsregeling voor weduwen die niet voldeden aan de voorwaarden voor een weduwepensioen. Kinderen hadden alleen recht op een wezenpensioen als beide ouders waren overleden. Tot 1988 gold het recht op AWW alleen voor vrouwen. Door een uitspraak van de rechter konden vanaf 1988 ook weduwnaren AWW krijgen.

In 1972 kregen mensen die niet langer verplicht verzekerd waren voor de AWW, de mogelijkheid zich vrijwillig te verzekeren. Dit gold bijvoorbeeld voor mensen die uit Nederland zijn vertrokken.

In 1996 is de AWW vervangen door de Algemene nabestaandenwet (Anw).

In 1996 is de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW) vervangen door de Algemene nabestaandenwet (Anw).

De invoering van de Invaliditeitswet (IW) in 1913 was een grote stap voorwaarts in de sociale zekerheid. Deze wet dekte het financiële risico van invaliditeit. Invaliditeit betekent dat iemand niet geschikt is om te werken. Het maakte niet uit wat de oorzaak van de invaliditeit was. 

De Invaliditeitswet gold alleen voor mensen in loondienst en was dus een werknemersverzekering. Als iemand in loondienst de leeftijd van 70 jaar bereikte, werd dit gelijkgesteld met invaliditeit. Een ongehuwde kreeg dan recht op een ouderdomsrente van € 0,91 per week en een gehuwde kreeg € 1,36 per week. Voor een IW-rente hoefde iemand geen premie te betalen. Het Rijk betaalde de uitkering. In het begin van de vorige eeuw bereikten nog niet zoveel mensen de 70-jarige leeftijd. In 1919 kwam er in de Invaliditeitswet ook een regeling voor weduwen en wezen.

Zegeltjes plakken

Minister ds. A.S. Talma was erin geslaagd de Invaliditeitswet door het parlement te krijgen. De uitvoering kwam in handen van de Rijksverzekeringsbank. Na 1919 kwamen er uitbreidingen en verbeteringen in de Invaliditeitswet. Mensen kregen recht op een ouderdomsrente vanaf 65 jaar. De verzekering werd verplicht en er kwam een rentekaart waarop de werkgever iedere week zegeltjes moest plakken. Na 50 jaar plakken zou de werknemer recht hebben op een ouderdomsrente van maximaal € 2,72 per week. Langzaam groeide het aantal mensen dat recht had op een ouderdomsrente door een sociale verzekering.

Al in het begin van de 20-ste eeuw waren er wat regelingen voor kinderbijslag ingevoerd. Bijvoorbeeld de regelingen voor postambtenaren en later voor ambtenaren van het Rijk, de provincie en gemeente. Vanaf die tijd is er discussie geweest of een nationale kinderbijslagregeling wenselijk is. In 1920 aanvaardde de Tweede Kamer een nationale kinderbijslagregeling. Vanwege de economische teruggang heeft het nog een hele tijd geduurd voordat er een wetsvoorstel werd ingediend. In 1941 is de eerste Kinderbijslagwet ingegaan. Deze wet was alleen voor mensen in loondienst. De kinderbijslag werd vanaf het derde kind betaald, omdat men vond dat het loon voldoende was voor het onderhoud van een gezin met 2 kinderen.

Mensen in loondienst en zelfstandigen

Na de oorlog vond de politiek dat in de toekomst de kinderbijslagregeling niet alleen voor mensen in loondienst, maar voor de hele bevolking moest gelden. In 1963 is de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) ingegaan. Deze wet betekende dat iedereen recht kreeg op kinderbijslag vanaf het derde kind. De Kinderbijslagwet Loontrekkenden (KWL) gaf mensen in loondienst het recht op kinderbijslag voor het eerste en tweede kind. Voor zelfstandigen met een laag inkomen werd de Kinderbijslagwet Kleine Zelfstandigen (KKZ) ingevoerd. Daardoor konden zij ook voor het eerste en tweede kind kinderbijslag krijgen. De uitvoering van deze kinderbijslagwetten lag bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en de Raden van Arbeid. In 1980 werden alle kinderbijslagwetten samengevoegd tot een nieuwe Algemene Kinderbijslagwet (AKW).

Kort na de Tweede Wereldoorlog moesten ouderen een beroep doen op de Armenwet. De regering had al tijdens de bezetting in Londen een commissie ingesteld. Deze commissie moest een oplossing vinden voor het grote probleem van de sociale zekerheid in Nederland. Een reorganisatie van de sociale zekerheid kon niet binnen een paar jaar gerealiseerd worden. Willem Drees, die in 1945 als minister van Sociale Zaken aan het roer kwam, vond dat de ‘ouden van dagen’ daar niet op konden wachten. Een dat voor hen op korte termijn iets geregeld moest worden. In afwachting van een definitieve regeling volgens de wet (de latere AOW) werd in 1947 de Noodwet Ouderdomsvoorziening van kracht. Dat was een voorziening en geen verzekering. Er hoefde dan ook geen premie voor te worden betaald. Iedere Nederlander (mannen en ongehuwde vrouwen) van 65 jaar en ouder had recht op een uitkering.

‘Van Drees trekken’

Nederland werd in 5 gemeenteklassen verdeeld. Voor iedere klasse gold een maximum inkomen. Verdiende een gehuwde meer dan € 623,95 per jaar en woonde hij in een eersteklas gemeente? Dan kreeg hij geen uitkering. In 1947 was de uitkering in een eersteklas gemeente voor een gehuwde € 424,74 per jaar en voor een ongehuwde € 239,60. Had iemand nog andere inkomsten? Dan werd de uitkering lager. De Noodwet Ouderdomsvoorziening werd uitgevoerd door de Raden van Arbeid en de Rijksverzekeringsbank. De wet was eigenlijk maar voor 3 jaar bedoeld, maar werd steeds verlengd. Uiteindelijk is de wet tot 1957 in werking geweest. De wet is de geschiedenis ingegaan als de ‘Noodwet Drees’ en heeft onze taal verrijkt met de uitdrukking ‘Van Drees trekken’.

De Ongevallenwet 1901 (OW) is de eerste sociale verzekeringswet die in Nederland werd ingevoerd. De uitvoering van de wet werd in handen gegeven van de Rijksverzekeringsbank. In het begin was de Ongevallenwet alleen voor de meer gevaarlijke industriële bedrijven. Alleen de medewerkers in loondienst in die bedrijven waren verzekerd tegen de financiële gevolgen van een bedrijfsongeval. De uitkering was in zo’n geval 70% van het loon met een maximum van ongeveer € 1,27 per dag. Deze uitkering werd na het bereiken van de 65-jarige leeftijd voortgezet. Dit was het eerste begin van een ouderdomspensioen. De weduwe van iemand die voor de Ongevallenwet verzekerd was, had recht op een rente van 30% van het loon van haar overleden man, als die man door een bedrijfsongeval was omgekomen. Ook kon er recht op een wezenrente bestaan.

Ingrijpende wijzigingen

Bij het ontstaan van de Ongevallenwet was Ir. C. Lely (vooral bekend door de drooglegging van de Zuiderzee) de verantwoordelijke bewindspersoon. Politiek gezien hoorde hij bij de Liberale Unie, een stroming die zich onder andere sterk maakte voor de invoering van sociale verzekeringen. Hij was minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid. Er bestond in die tijd nog geen apart ministerie van Sociale Zaken. 

De Ongevallenwet 1901 is in 1921 zo ingrijpend gewijzigd dat sinds die tijd wordt gesproken over de Ongevallenwet 1921. Voortaan vielen alle bedrijven onder de Ongevallenwet. Met uitzondering van land- en tuinbouw, zeevaart en zeevisserij. Daarvoor golden aparte ongevallenwetten. Arbeiders werden verzekerd tegen de financiële gevolgen van ongevallen die door hun werk gebeurden. Ook werd revalidatie en omscholing mogelijk gemaakt en werden meer beroepsziekten met een ongeval gelijkgesteld.

De Ouderdomswet van 1919, ook wel de Vrijwillige Ouderdomsverzekering (VOV) genoemd, kwam tot stand onder minister Aalberse. De VOV was bedoeld voor niet-loontrekkers met een laag inkomen. Zij konden zich verzekeren voor een ouderdomsrente. Het was een vrijwillige verzekering met een garantie van de staat. De VOV werd uitgevoerd door de Raden van Arbeid en de Rijksverzekeringsbank. 

Op alle mogelijke manieren werd reclame gemaakt voor de zegeningen die de VOV zou brengen. In werkelijkheid was ook de ouderdomsrente die iemand na het bereiken van de 65-jarige leeftijd via de VOV kon ontvangen, geen groot pensioen. Het begon met € 2,27 per week voor ongehuwden en € 2,72 per week voor gehuwden. Later is dit allemaal wel iets verbeterd. In 1923 konden alle Rijksingezetenen recht hebben op de VOV. Iemand kon zich vrijwillig verzekeren voor een uitkering van maximaal € 9,08 per week. Wie dat financieel niet kon betalen, vooral de arbeiders, moest het doen met de rente van de rentekaart. En in het gunstigste geval een klein pensioen van het bedrijf waar iemand had gewerkt. In de jaren 70 besloot de politiek dat de VOV haar tijd had gehad. Maar het duurde nog tot 1990 voordat alle verplichtingen aan VOV-verzekerden netjes waren afgewikkeld.

Al in 1910 werd door minister Talma een ontwerp Ziektewet ingediend. De wet werd in 1913 aangenomen. Maar het duurde nog tot 1930 voordat de wet is ingegaan. Dit gebeurde nadat minister Slotemaker de Bruïne een gewijzigd ontwerp Ziektewet had ingediend die door het parlement was aanvaard. Oorzaak van de vertraging waren onder andere verschillende politieke meningen over de uitvoeringsorganisatie en over de vraag of geneeskundige verzorging wel of niet in de Ziektewet moest worden opgenomen. Uiteindelijk is gekozen de uitvoering op te dragen aan de Raden van Arbeid en bijzondere ziektekassen. 

De Ziektewet gaf een uitkering bij loonderving wegens ziekte voor werknemers met een vast overeengekomen loon van maximaal € 1.361,34 per jaar. Nadat deze verzekeringsgrens een aantal malen was verhoogd, werd de grens in 1969 bij de invoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) afgeschaft. In 1947 werd de maximale duur van de uitkering 52 weken. De geneeskundige verzorging zou later in de Ziekenfondswet (ZW) worden geregeld.