Over de SVB

Onze historie

Het stelsel van uitkeringen dat we in Nederland kennen is zo’n honderd jaar oud. Dat geldt ook voor de SVB, of eigenlijk voor onze voorloper de Rijksverzekeringsbank. Die werd in 1901 opgericht als eerste uitvoeringsorganisatie voor sociale verzekeringen. In de loop der jaren zijn we als organisatie meegegroeid met de ontwikkeling van de sociale zekerheid in Nederland. De ontstaansgeschiedenis van de SVB kent een aantal mijlpalen.

  • Algemene Ouderdomswet (AOW)

    In 1957 werd de Algemene Ouderdomswet (AOW) van kracht. Vanaf dat moment had het hele Nederlandse volk recht op een basisouderdomspensioen. Willem Drees was op dat moment premier en de verantwoordelijke minister van Sociale Zaken was de heer J.G. Suurhoff. Op 2 januari 1957 kon de heer Bakker uit de Boterdiepstraat in Amsterdam het eerste AOW-pensioen uit handen van minister Suurhoff in ontvangst nemen. Er zouden er dat jaar nog 738.692 volgen. Voor de uitvoerders van de AOW - de Sociale Verzekeringsbank en de Raden van Arbeid - was de AOW daarmee gelijk de grootste wet die ze moesten uitvoeren.

    Bodempensioen

    De AOW was bedoeld als een zogenaamd bodempensioen, als aanvulling op andere inkomsten. In 1957 ontving een alleenstaande € 32,45 en een echtpaar € 54,- per maand. De wet was vijf jaar oud toen men inzag dat bejaarden met dit bodempensioen nauwelijks konden rondkomen. Men besloot tot een verhoging van 15%. In 1965 verliet men het principe van het bodempensioen en werd het AOW-pensioen opgetrokken tot het sociaal minimum: € 99,38 per maand voor een alleenstaande en € 142,02 voor een echtpaar.

    Zelfstandig recht

    Oorspronkelijk kwamen alleen mannen en ongehuwde vrouwen in aanmerking voor een AOW-pensioen. Werd een gehuwde vrouw eerder 65 jaar dan haar echtgenoot, dan was er pas recht op AOW als ook de man 65 jaar was. Sinds 1 april 1985 hebben mannen en vrouwen een zelfstandig recht op AOW. Iemand die 65 jaar wordt en een partner heeft die jonger is dan 65 jaar, ontvangt daarnaast een toeslag. De verhouding tussen pensioen en toeslag is in de loop der tijd een paar keer veranderd.

    Sinds 1988 is de hoogte van de AOW-toeslag afhankelijk van het eigen inkomen van de jongere partner. Bij de herziening van het sociale zekerheidsstelsel in 1987 is in de AOW de gelijke behandeling van gehuwden en ongehuwd samenwonenden ingevoerd. Ook is er toen een apart normgedrag voor een alleenstaande ouder met een kind jonger dan 18 jaar ingevoerd.

    De AOW is een verplichte verzekering en wordt gefinancierd volgens het zogeheten omslagstelsel. Dat houdt in dat alle mensen gedurende hun leven, 50 jaar tot hun AOW-leeftijd, gezamenlijk de premie betalen om AOW'ers te voorzien. In 1972 kregen mensen die - door bijvoorbeeld vertrek uit Nederland - niet langer verplicht verzekerd waren voor de AOW, de mogelijkheid zich vrijwillig te verzekeren.

    Met ingang van 1 januari 2013 is voor het eerst sinds lange tijd weer sprake van een majeure verandering. Vanaf dat moment wordt de AOW-leeftijd in stappen verhoogd naar 66 jaar in 2018 en 67 jaar in 2021.

  • Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW)

    Pas in 1959 werd er een doeltreffende regeling getroffen voor weduwen en wezen. De Algemene Weduwen- en Wezenwet, ingediend door minister Suurhoff,  trad op 1 oktober 1959 in werking. De Sociale Verzekeringsbank en de Raden van Arbeid hadden er daarmee een nieuwe taak bij.

    De AWW had het karakter van een risicoverzekering. Dat betekende dat de hoogte van de uitkering niet afhankelijk was van de duur van de verzekering. De AWW kende drie soorten uitkeringen: een weduwepensioen, een tijdelijke weduwe-uitkering en een wezenpensioen. De tijdelijke weduwe-uitkering was bedoeld als overbruggingsregeling voor weduwen die niet voldeden aan de voorwaarden voor een weduwepensioen. Kinderen hadden alleen recht op een wezenpensioen als beide ouders waren overleden. Tot 1988 gold het recht op AWW alleen voor vrouwen. Niet op grond van een wetswijziging, maar op grond van een rechterlijke uitspraak, konden ook weduwnaars vanaf dat moment aanspraak maken op AWW.

    In 1972 kregen mensen die door bijvoorbeeld vertrek uit Nederland niet langer verplicht verzekerd waren voor de AWW, de mogelijkheid zich vrijwillig te verzekeren.


  • Algemene nabestaandenwet (Anw)

    In 1996 is de AWW vervangen door de Algemene nabestaandenwet (Anw).

  • Invaliditeitswet 1913

    De invoering van de Invaliditeitswet (IW) in 1913 was een grote stap voorwaarts in de sociale zekerheid. Deze wet dekte het financiële risico van invaliditeit, ongeacht de oorzaak. De Invaliditeitswet gold alleen voor mensen in loondienst en was dus een werknemersverzekering. Als een ‘loontrekker’ de leeftijd van 70 jaar bereikte, werd dit gelijkgesteld met invaliditeit. Een ongehuwde kreeg dan recht op een ouderdomsrente van € 0,91 per week; een gehuwde kreeg € 1,36 per week. Voor een IW-rente hoefde men geen premie te betalen. Het Rijk betaalde de uitkering. In het begin van de vorige eeuw bereikten echter nog niet zoveel mensen de 70-jarige leeftijd. In 1919 kwam er in de Invaliditeitswet ook een regeling voor weduwen en wezen.

    Zegeltjes plakken

    Minister ds. A.S. Talma, een zeer sociaal bewogen ARP-politicus, was degene die erin slaagde de Invaliditeitswet door het parlement te krijgen. De uitvoering kwam in handen van de Rijksverzekeringsbank. Na 1919 kwamen er uitbreidingen en verbeteringen in de Invaliditeitswet. Men kreeg recht op een ouderdomsrente vanaf 65 jaar. De verzekering werd verplicht en er kwam een rentekaart waarop de werkgever iedere week zegeltjes moest plakken. Na 50 jaar plakken zou de werknemer recht hebben op een ouderdomsrente van maximaal € 2,72 per week, geen riante uitkering dus. Langzamerhand groeide het aantal mensen dat recht had op een ouderdomsrente op grond van een sociale verzekering.

  • Kinderbijslag

    Al in het begin van de 20-ste eeuw waren er wat incidentele regelingen voor kinderbijslag ingevoerd, zoals regelingen voor postambtenaren en later voor ambtenaren van rijk, provincie en gemeente. Vanaf die tijd is er discussie geweest over de wenselijkheid van een nationale kinderbijslagregeling. In 1920 aanvaardde de Tweede Kamer het principe van een nationale kinderbijslagregeling. Vanwege de economische teruggang heeft het nog een hele tijd geduurd voordat er een wetsvoorstel werd ingediend. In 1941 trad de eerste Kinderbijslagwet in werking. Deze wet was alleen van toepassing op loontrekkenden. De kinderbijslag werd vanaf het derde kind verleend, omdat men ervan uitging dat het loon voldoende was voor het onderhoud van een gezin met twee kinderen.

    Loontrekkenden en zelfstandigen

    Na de oorlog werd men het erover eens dat in de toekomst de kinderbijslagregeling niet alleen voor loontrekkenden, maar voor de hele bevolking moest gelden. In 1963 trad de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) in werking. Deze wet betekende dat iedereen, zowel loontrekkenden als zelfstandigen, recht kregen op kinderbijslag vanaf het derde kind. De  Kinderbijslagwet Loontrekkenden (KWL) gaf mensen in loondienst het recht op kinderbijslag voor het eerste en tweede kind. Voor zelfstandigen met een laag inkomen werd de Kinderbijslagwet Kleine Zelfstandigen (KKZ) ingevoerd, waardoor ook zij voor het eerste en tweede kind kinderbijslag konden krijgen. De uitvoering van deze kinderbijslagwetten lag in handen van de Sociale Verzekeringsbank en de Raden van Arbeid. In 1980 werden de afzonderlijke kinderbijslagwetten samengevoegd tot één nieuwe Algemene Kinderbijslagwet (AKW).

  • Noodwet Ouderdomsvoorziening

    Kort na de Tweede Wereldoorlog moest menig bejaarde nog een beroep doen op de Armenwet. De regering had al tijdens de bezetting in Londen een commissie ingesteld die een oplossing moest vinden voor het grote probleem van de sociale zekerheid in Nederland. Men wist echter dat een reorganisatie van de sociale zekerheid niet binnen een paar jaar kon worden gerealiseerd. Willem Drees, die in 1945 als minister van Sociale Zaken aan het roer kwam, vond dat de ‘ouden van dagen’ daar niet op konden wachten en dat voor hen op korte termijn iets geregeld moest worden. In afwachting van een definitieve wettelijke regeling (de latere AOW) werd in 1947 de Noodwet Ouderdomsvoorziening van kracht. Een voorziening, geen verzekering dus. Er hoefde dan ook geen premie voor te worden betaald. In principe had iedere Nederlander – let wel: mannen en ongehuwde vrouwen – van 65 jaar en ouder recht op een uitkering.

    ‘Van Drees trekken’

    Nederland werd in vijf gemeenteklassen verdeeld. Voor iedere gemeenteklasse gold een maximum inkomen. Verdiende een gehuwde meer dan € 623,95 per jaar en woonde hij in een eersteklas gemeente, dan kreeg hij geen uitkering. In 1947 bedroeg de uitkering in een eersteklas gemeente voor een gehuwde € 424,74 per jaar en voor een ongehuwde € 239,60. Als men nog andere inkomsten had, werd de uitkering verminderd. De Noodwet Ouderdomsvoorziening werd uitgevoerd door de Raden van Arbeid en de Rijksverzekeringsbank. De wet was eigenlijk maar voor drie jaar bedoeld, maar werd telkens weer verlengd. Uiteindelijk is de wet tot 1957 in werking geweest. De wet is de geschiedenis ingegaan als de ‘Noodwet Drees’ en heeft onze taal verrijkt met de uitdrukking ‘van Drees trekken’.

  • Ongevallenwet 1901

    De Ongevallenwet 1901 (OW) is de eerste sociale verzekeringswet die in Nederland werd ingevoerd. De uitvoering van de wet werd in handen gegeven van de Rijksverzekeringsbank. In het begin was de Ongevallenwet alleen van toepassing op de meer gevaarlijke industriële bedrijven. Alleen de ‘loontrekkers’ in die bedrijven waren verzekerd tegen de financiële gevolgen van een bedrijfsongeval. De uitkering was in zo’n geval 70% van het loon met een maximum van ongeveer € 1,27 per dag. Deze uitkering werd na het bereiken van de 65-jarige leeftijd voortgezet. Je zou dit kunnen zien als het eerste zuinige begin van een ouderdomspensioen. De weduwe van iemand die voor de Ongevallenwet verzekerd was, had recht op een rente van 30% van het loon van haar overleden man, als die man door een bedrijfsongeval was omgekomen. Daarnaast kon er recht op een wezenrente bestaan.

    Ingrijpende wijzigingen

    Bij de totstandkoming van de Ongevallenwet was Ir. C. Lely (vooral bekend door de drooglegging van de Zuiderzee) de verantwoordelijke bewindspersoon. Politiek behoorde hij bij de Liberale Unie, een progressieve stroming die zich onder andere sterk maakte voor de invoering van sociale verzekeringen. Hij was minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid. Er bestond in die tijd nog geen apart ministerie van Sociale Zaken. De Ongevallenwet 1901 is in 1921 zo ingrijpend gewijzigd dat sinds die tijd wordt gesproken over de Ongevallenwet 1921. Voortaan vielen alle bedrijven onder de Ongevallenwet, met uitzondering van land- en tuinbouw, zeevaart en zeevisserij, waarvoor aparte ongevallenwetten bestonden. Arbeiders werden verzekerd tegen de financiële gevolgen van ongevallen die met hun werk in verband stonden. Ook werd revalidatie en omscholing mogelijk gemaakt en werd een toenemend aantal beroepsziekten met een ongeval gelijkgesteld.

  • Ouderdomswet 1919 / Vrijwillige Ouderdomsverzekering (VOV)

    De Ouderdomswet van 1919, ook wel de Vrijwillige Ouderdomsverzekering (VOV) genoemd, kwam tot stand onder minister Aalberse. De VOV was bedoeld om niet-loontrekkers met een laag inkomen de mogelijkheid te bieden zich te verzekeren voor een ouderdomsrente. Het was een vrijwillige verzekering met staatsgarantie. De VOV werd uitgevoerd door de Raden van Arbeid en de Rijksverzekeringsbank. Op alle mogelijke manieren werd reclame gemaakt voor de zegeningen die de VOV zou brengen. In werkelijkheid was ook de ouderdomsrente die iemand na het bereiken van de 65-jarige leeftijd via de VOV kon ontvangen, niet bepaald een riant pensioen. Het begon met € 2,27 per week voor ongehuwden en € 2,72 per week voor gehuwden. Later is dit allemaal wel iets verbeterd. In 1923 werd de VOV opengesteld voor alle Rijksingezetenen. Men kon zich vrijwillig verzekeren voor een uitkering van maximaal € 9,08 per week. Wie dat financieel niet kon behappen, vooral de arbeiders, moest het doen met de rente van de rentekaart en in het gunstigste geval een pensioentje van het bedrijf waar men had gewerkt. In de jaren zeventig besloot de politiek dat de VOV haar tijd had gehad. Het duurde echter nog tot 1990 voordat alle verplichtingen aan VOV-verzekerden netjes waren afgewikkeld.


  • Ziektewet

    Al in 1910 werd door minister Talma een ontwerp Ziektewet ingediend. De wet werd in 1913 aangenomen, maar het duurde nog tot 1930 voordat de wet in werking trad, nadat minister Slotemaker de Bruïne een gewijzigde ontwerp Ziektewet was ingediend die door het parlement was aanvaard. Oorzaak van de vertraging waren onder andere politieke meningsverschillen over de uitvoeringsorganisatie en over de vraag of geneeskundige verzorging wel of niet in de Ziektewet moest worden opgenomen. Uiteindelijk is ervoor gekozen de uitvoering op te dragen aan de Raden van Arbeid en bijzondere ziektekassen. De Ziektewet voorzag in een uitkering bij loonderving wegens ziekte voor werknemers met een vast overeengekomen loon van maximaal € 1.361,34 per jaar. Nadat deze verzekeringsgrens een aantal malen was verhoogd, werd de grens in 1969 bij de invoering van de wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) afgeschaft. In 1947 werd de maximale uitkeringsduur gestel op 52 weken. De geneeskundige verzorging zou later in de Ziekenfondswet worden geregeld.