1972-1986
Bezuinigingen: meer aandacht voor informele solidariteit en eigen verantwoordelijkheid
In de troonredes van 1972 tot en met 1986 is meer aandacht voor informele solidariteit en eigen verantwoordelijkheid. Het kabinet kondigt diverse bezuinigen aan:
Geen verhoging van de kinderbijslag voor het tweede kind (1972)
Invoering van een beperkt eigen risico in de ziekenfondsverzekering (1972)
Onderzoek naar maatregelen die de kostenstijging op het terrein van de sociale voorzieningen kunnen beperken (1975)
Oproep tot matiging van de particuliere inkomens (1978, 1979 en 1980)
Grondige herziening van de sociale zekerheid (1982)
Algemene vermindering en bijzondere aanpassing van de hogere uitkeringen (1983)
Inkomensoffers van ambtenaren (1983)
Ook doet het kabinet steeds vaker een beroep op (eigen) verantwoordelijkheid. Informele solidariteit wordt daarmee steeds belangrijker:
De regering doet een beroep op iedereen om als verantwoordelijke burgers versoberingen te aanvaarden en matiging te betrachten. De regering hecht veel belang aan de bereidheid om te delen in de offers die nodig zijn. (1978)
Het is nodig om iedereen in staat te stellen om persoonlijke verantwoordelijkheid te dragen voor eigen welzijn en dat van anderen. Het besef van die verantwoordelijkheid verschraalt als te gemakkelijk en uitsluitend een beroep wordt gedaan op de gemeenschap. (1979)
Nederland kan zijn economische problemen te boven komen als het besef van saamhorigheid sterker is dan de gerichtheid op eigenbelang en als onverschilligheid wijkt voor verantwoordelijkheidszin. (1980)
Burgers en hun organisaties zijn verantwoordelijk voor elkaar. Het ligt buiten de macht van de overheid om verantwoordelijkheidszin en saamhorigheidsbesef te wekken. Die moeten komen uit de burgers zelf. (1982)
In de volksgezondheid, de bejaardenzorg en het cultuurbeleid moeten we het met de beschikbare middelen eenvoudiger en beter doen. We moeten ons meer baseren op de mogelijkheden en verantwoordelijkheden van de burgers zelf. (1983)
Er is behoefte aan individualisering, emancipatie en grotere eigen verantwoordelijkheid, alsmede de noodzaak van meer solidariteit tussen burgers en minder afwenteling op de overheid. (1985)
De regering waardeert de wijze waarop men bij de budgettering in de volksgezondheid de eigen verantwoordelijkheid beleeft. (1985)
De vergrijzing zal extra inspanningen vergen, zowel op financieel terrein als ten aanzien van de solidariteit tussen burgers onderling. (1986)
Maar de formele solidariteit wordt niet uit het oog verloren. Vooral in de jaren zeventig investeert het kabinet nog veel in de sociale zekerheid:
Verhoging van de AOW- en AWW-pensioenen (1972)
Verbetering van de pensioenvoorziening voor werknemers (1972)
Uitgaven voor welzijnsvoorzieningen worden meer dan evenredig verhoogd (1973)
Voorstel voor een nieuw stelsel van studiefinanciering (1973)
Voorbereidingen voor een volksverzekering tegen ziektekosten (1973)
Garantie voor minimuminkomen voor oudere zelfstandigen (1976)
Werkenden moeten meer bijdragen aan uitkeringen voor werklozen (1982)
Uitbreiding van de voorzieningen voor bejaarden (1982)
Ook in zware tijden is aandacht voor solidariteit, zo blijkt uit de troonrede van 1975: “Het feit, dat een zo groot aantal van ons thans werkloos is, gebiedt ons vele wensen ondergeschikt te maken aan hun toekomst. Het verplicht tot solidariteit in de verdeling van inkomen en werk.”

